aandacht adhd volwassenen vzw

  • Vergroot lettergrootte
  • Standaard lettergrootte
  • Verklein lettergrootte
Home Wat is ADHD?

Wat is ADHD?

E-mail Afdrukken PDF

Wat is ADHD?

"Attention deficit hyperactivity disorder" (ADHD) komt vaak voor bij schoolkinderen (2 à 4%). De belangrijkste kenmerken zijn concentratiestoornissen - al dan niet gepaard met hyperactief gedrag - en impulsiviteit. De oorzaak heeft te maken met stoornissen in de werking van de hersenen.

Vroeger meende men dat deze stoornis bij het volwassen worden verdween,maar sinds de jaren 1970 werd in verschillende wetenschappelijke publicaties beschreven dat bij 10 à 50 % van deze kinderen deze stoornis op volwassen leeftijd blijft voortbestaan. Dit betekent dat 1 à 3 % van de volwassenen aan deze stoornis lijdt.
Op volwassen leeftijd zijn concentratiestoornissen, dagdromen, vergeetachtigheid en frequente veranderingen in activiteit de meest voorkomende verschijnselen. Hyperactiviteit en rusteloosheid zijn zeldzamer op volwassen leeftijd. Op volwassen leeftijd gaat ADHD daarentegen wel vaak gepaard met andere kenmerken zoals verveling, sociale aanpassingsmoeilijkheden met chronische conflicten, wat leidt tot professionele en relationele moeilijkheden. Bovendien gaat het vaak gepaard met klachten van depressiviteit, angst en drank- of medicatiemisbruik.

ADHD bij volwassenen

Meer en meer worden hulpverleners geconfronteerd met de vraag van patiënten naar diagnosestelling en begeleiding van ADHD. De hulpverleners in de psychiatrische volwassenensector reageren hierop vaak onwennig omdat er in hun opleiding en in hun traditionele denkwereld geen plaats gegeven is voor deze problematiek. Een beknopt overzicht van de problematiek is dus zeker van actueel belang.

Een miskende pathologie
De diagnose ADHD (attention deficit/hyperactivity disorder) is al vele jaren in de kinderpsychiatrie algemeen erkend, en zou volgens DSM-IV bij 2-5 % van alle kinderen voorkomen. Het diagnostisch begrip ADHD is van Amerikaanse origine en omvat naast het hyperactieve ook het niet-hyperactieve subtype, in tegenstelling tot het in Europa nog veel gehanteerde begrip hyperkinetisch syndroom van ICD-10, dat veel restrictiever is.
Bij 30-50 % van de kinderen met ADHD is de oorzaak genetisch. Bij volwassenen die nog steeds ADHD hebben is de genetische factor nog groter: een volwassene met ADHD heeft 84 % kans dat minstens ook één van zijn kinderen ADHD heeft.
Intussen is bekend dat bij 30-50 % van de kinderen met ADHD problemen blijven bestaan op volwassen leeftijd. Toch blijft het merkwaardig dat in de psychiatrische hulpverleningssector voor volwassenen weinig vertrouwdheid met deze problematiek blijft bestaan. Meerdere factoren kunnen dit verklaren :

  1. bij het volwassen worden neemt de motorische hyperactiviteit vaak af en blijven aandachts- en organisatiemoeilijkheden op de voorgrond staan, zodat men er minder op bedacht is
  2. bij het volwassen worden gaat ADHD vaak gepaard met stemmingslabiliteit en emotioneel overreageren, wat vaak geïnterpreteerd wordt als uiting van een persoonlijkheidsstoornis
  3. volgens de restrictieve criteria van ICD-10 kan de diagnose van hyperkinetisch syndroom niet gesteld worden als er bvb. comorbiditeit van depressie is
  4. aangezien in DSM-IV ADHD vermeld wordt in het hoofdstuk van de stoornissen die een aanvang kennen op kinderleeftijd, is de volwassenenpsychiatrie er minder vertrouwd mee en schenkt ze er ook geen aandacht aan
  5. de opleiding en praktijkvoering van kinderpsychiaters en volwassenenpsychiaters hebben weinig of geen uitwisseling van contacten zodat volwassen geworden kinderen met ADHD niet automatisch naar het circuit van de hulpverlening van volwassenen worden doorverwezen
  6. van kinderen aanvaardt men gemakkelijker het idee dat ze een stoornis van zelfcontrole hebben, maar bij volwassenen die overigens geen tekenen van andere psychische stoornis vertonen wordt dit minder begrepen.

Diagnosestelling
Zoals ook bij de kinderen blijven de anamnese en hetero-anamnese de hoeksteen van de diagnose. Van belang is dat de moeilijkheden er sinds de kinderjaren waren. Daarom komt het er voor de clincicus op aan om steeds in het achterhoofd met de mogelijkheid ADHD rekening te houden en een gerichte anamnese te verrichten. Bij de anamnese moet men er zich vooral voor hoeden a priori uitsluitend psychodynamische of systeemtheoretische invalshoeken te hanteren. Bij volwassenen kan het wel moeilijk zijn om retrospectief een correct zicht te verkrijgen in het vroegere functioneren in de kinderjaren. Een bijkomende moeilijkheid is dat de levensloop op volwassen leeftijd door vele andere factoren mee gekleurd is, zodat het juist kaderen van de problematiek op volwassen leeftijd niet steeds eenvoudig is (differentiële diagnose en comorbiditeit).
De DSM-IV criteria zijn ook toepasbaar op volwassen leeftijd. Meerdere auteurs hebben voorgesteld om de minimum criteria voor volwassenen op vier of vijf van de negen kenmerken terug te brengen voor zowel aandachtsmoeilijkheden als voor hyperactiviteit (i.p.v. minimum zes zoals DSM-IV voorschrijft), omdat de ernst van symptomen met het volwassen worden afneemt. Daarnaast zijn de Utah criteria voor ADHD bij volwassenen de best gevalideerde (hoewel de Utah criteria enkel werden opgesteld voor het hyperactieve subtype):

  • De symptomen dienen continu aanwezig te zijn vanaf kinderleeftijd;
  • Er dienen zowel duidelijke moeilijkheden met aandacht als met motorische onrust te zijn;
  • Minstens twee van de volgende vijf criteria dienen aanwezig te zijn:
    - stemmingswisselingen
    - organisatiemoeilijkheden

    - opvliegendheid

    - emotioneel overreageren

    - impulsiviteit
Als aanvullende onderzoeken om de de aandachtsstoornissen te objectiveren zijn neuropsychologich onderzoek van de aandacht en van frontale functies, en onderzoek van de cognitieve opgewekte hersenpotentialen in het EEG nuttig. De specificiteit en sensitiviteit van deze testen hebben wel hun beperkingen. Tegen de achtergrond van de anamnesegegevens kunnen deze testresultaten evenwel nuttig zijn om de patiënt beter te doen begrijpen en aanvaarden dat er objectieve gronden voor de moeilijkheden bestaan, temeer omdat de anamnestisch bekomen gegevens vaak twijfelachtig en subjectief zijn.

Differentiële diagnose en comorbiditeit

  1. Depressie en dysthymie: depressie komt bij 20-30 % van patiënten met ADHD voor (terwijl dit in de algemene bevolking 15 % is).
    De differentiële diagnose met dysthymie kan moeilijk zijn: ook bij de laatste zijn er chronische aandachtsmoeilijkheden, maar de negatieve zelfbeleving met het onvermogen om plezier te ervaren staan duidelijker op de voorgrond.
  2. Verslavingen komen bij 10-40 % van de patiënten met ADHD voor.
  3. Borderline, antisociale en histrionische persoonlijkheidsstoornis: de differenti묥 diagnose kan moeilijk zijn.
    Bij de borderline-persoonlijkheidsstoornis is er een meer uitgesproken verwrongen persoonlijkheidsstoornis, gepaard met leegtegevoelens, meer manipulatief gedrag, suïcidaal en automutilatief gedrag, verlatingsangsten met hechtingsproblemen, identiteitsstoornissen. De impulsiviteit bij borderline-persoonlijkheidsstoornis is meer gedreven en vaak zelfdestructief (terwijl de impulsiviteit bij ADHD kortstondiger en meer onbedacht is). Men dient toch ook met de mogelijkheid van de combinatie rekening te houden door een gerichte anamnese.

Behandeling

  1. Psycho-educatie
    Het stellen en toelichten van de diagnose heeft op zich al een therapeutische waarde. Vaak gaat het immers om patiënten bij wie al jaren allerlei misloopt zonder dat ze zelf (en hun omgeving) begrijpen wat er scheelt. Vaak hebben ze al jaren psychotherapie achter de rug zonder resultaat, en heeft het hen integendeel vaak enkel bijkomende ontgoochelingen en onbegrip opgeleverd. Wel dient men erop te wijzen dat de diagnose niet als excuus mag gebruikt worden voor alles wat er blijft fout gaan: diagnosestelling moet juist leiden tot maatregelen om oplossingen te zoeken. Anderzijds moet men er de patiënt ook vaak op wijzen dat er een comorbiditeit bestaat en dat met andere woorden de diagnose ADHD niet steeds al zijn problemen verklaart. Bij de begeleiding is het van groot belang dat de behandelaar niet alleen de symptomenlijstjes kent, maar ook vertrouwd is met de actuele verklarende neuropsychologische modellen zoals dat van Barkley, om oog te hebben voor de bredere samenhang. Ook dient de behandelaar vertrouwd te zijn met de impact van de ADHD-problematiek op het ganse dagelijkse leven, het beroepsleven en op partnerrelaties.
  2. Medicatie
    Hoewel behandelaars in Europa traditioneel vaak huiverachtig staan t.o.v. psychostimulantia (vooral Rilatine, maar ook sommige stimulerende antidepressiva), wijst men er in de Verenigde Staten op dat het een zware medische fout zou zijn deze medicatie niet voor te schrijven. De beste houding is om gedurende een maand een proeftherapie voor te stellen (Rilatine: 3 maal per dag, om de 4 uur, in opbouwende dosering). Bij 25-78% van de gevallen is er een positief resultaat, hoewel ook dan nog vaak problemen in afgezwakte vorm blijven bestaan. Het positieve resultaat uit zich op alle vlakken: niet alleen de aandacht, de hyperactiviteit en impulsiviteit verbeteren, maar ook de algemene zelfcontrole over stemmingswisselingen, motivatie en emotioneel overreageren, en ook het organiseervermogen. Als deze medicatie bij de juiste indicatie en op de juiste wijze, onder begeleiding, wordt opgestart is er geen reden om te vrezen voor verslaving.
  3. Psychotherapie
    "Coaching" bij het leren organiseren is een belangrijk punt. Men dient zich er echter van bewust te zijn dat een voorafgemaakte planning, praktische tips en goede voornemens op zich vaak toch nog steeds leiden tot mislukkingen omdat patiënten met ADHD vaak per definitie wel wéten wat ze moeten doen, maar niet doén wat ze weten. Werkelijke psychotherapie is enkel zinvol in geval er moeilijkheden zijn met het verwerken van mislukkingen in het verleden, ook als er moeilijkheden zijn om zich met het nieuwe patroon van functioneren na het starten van medicatie te vereenzelvigen, bij comorbiditeit, bij relatieproblemen. Men moet zich echter hoeden om ADHD-symptomen psychodynamisch of systeemtheoretisch te verklaren.
  4. Lotgenotencontact
    In Vlaanderen zijn recent regionale gesprekgroepen voor volwassenen met ADHD van start gegaan (organisatie "Aandacht"), met een eigen website (www.adhd-volwassenen.be). De onderlinge herkenning en erkenning is voor velen vaak een openbaring en steun. Het uitwisselen van ervaringen, tips en informatie, en het samen zoeken naar oplossingen hebben vaak een belangrijke betekenis voor de betrokkenen en hun omgeving.

Dr. W. Van den Bergh (Leuven)
De Agenda Psychiatrie Nr. 19, Mei 2001, p. 8-9


     
 


specifieke vragen of suggesties ? laat het ons weten.